Ruimteonderzoek
Driehonderd jaar geleden beschreef de natuurkundige Isaac Newton dat met een kanon op een hoge berg misschien een voorwerp in een baan om de Aarde kon worden geschoten, zodat het niet meer op de grond zou vallen. Dit werd werkelijkheid in 1975, toen de eerste kunstmatige satelliet werd gelanceerd.
Om in een baan om de Aarde te raken, moet een ruimtevaartuig een snelheid van 27.350 km/h behalen. Dan kunnen de raketmotoren worden afgezet en blijft het ruimteschip in zijn baan. Het bevindt zich nog steeds in de greep van de aardse zwaartekracht, maar zijn snelheid is precies in evenwicht met die zwaartekracht.
Satellieten lanceren
Een kunstmatige satelliet of kunstmaan wordt meestal met een raket gelanceerd. Die brengt de satelliet naar de juiste hoogte boven de Aarde en in zijn baan. Daarna valt de raket terug naar de Aarde, waar hij meestal in zee belandt. De snelste vliegtuigen halen slechts een tiende van de snelheid die nodig is om in de ruimte te komen. Een ruimteraket krijgt een veel hogere snelheid door in enkele minuten tijd een enorme stuwkracht uit zijn brandstof op te wekken. Daardoor kan hij de Aardse zwaartekracht overwinnen. Raketmotoren zijn ook de enige motoren die in de luchtledige ruimte werken.
Als hij eenmaal in de ruimte is gebracht, krijgt hij een satelliet een baan die bij zijn taak past. Een communicatie-satelliet krijgt bijvoorbeeld een hoge baan boven de evenaar, zodat hij precies met de Aarde meedraait. Zo blijft hij steeds boven dezelfde plaats 'hangen'. Dit wordt een geostationaire baan genoemd. Satellieten in polaire banen, van pool tot pool, kunnen het hele aardoppervlak bekijken. Ze worden gebruikt als weersatelliet en voor onderzoek van het aardoppervlak.
Door Bert Carrein | Geplaatst op 2007-01-01 | Laatst gewijzigd op 2007-10-28
| Bekijk reacties (0) |
| Er werden nog geen reacties toegevoegd. |

